Pizza met salami

 

Hij is twaalf jaar en hij is boos. Ik zie het aan de manier waarop Bas de auto uitstapt en aan hoe hij naar de voordeur komt lopen. Het wordt zijn derde les voor begrijpend lezen bij mij in de praktijk. Binnenkort moet hij de Eindcito maken en ouders hebben mij benaderd om Bas nog wat extra hulp te bieden voordat hij naar het voortgezet onderwijs gaat. De eerste twee lessen hebben we alle strategieën opnieuw doorgenomen en ermee geoefend. Nu gaan we wat uitgebreidere teksten behandelen waarin deze strategieën goed van pas komen. Althans, dat was het plan. De moeder van Bas zegt bij de voordeur dat Bas zelf denkt dat hij geen probleem heeft met begrijpend lezen, maar dat zijn gebrek aan concentratie ervoor zorgt dat hij lage scores haalt. “Doe daar dus maar wat aan,” zegt ze, en dan laat ze ons alleen.

 

Bas loopt voor me uit naar boven. De eerste lessen maakte hij al weinig oogcontact, maar deze keer kijkt hij me helemaal niet aan. Het is een wat verlegen, terughoudende jongen die zich beleefd kan opstellen, maar vandaag heeft hij duidelijk geen zin om sociaal wenselijke antwoorden te geven. Zijn onuitgesproken weerstand vult de hele praktijkkamer. Ik begin de les door te herhalen wat zijn moeder zojuist aan me verteld heeft. “Ik begreep net dat je begrijpend lezen eigenlijk niet zo moeilijk vindt, maar dat je het gevoel hebt dat je je lastig kunt concentreren. Klopt dat?” Bas maakt een geluid. Of het een bevestigend antwoord is, kan ik er eigenlijk niet uit opmaken, maar ik gok dat het zo is.

 

“Kun je me vertellen hoe het komt dat je het moeilijk vindt om je te concentreren?” Als het stil blijft, ga ik verder. “Heb je er bijvoorbeeld last van als anderen geluid maken in de klas, bijvoorbeeld als iemand steeds met zijn pen zit te tikken?” Bas reageert hierop door te zeggen dat dat natuurlijk helemaal niet mag in de klas. “Ok,” vervolg ik, “is het dan misschien onrustig in je hoofd? Moet je steeds aan andere dingen denken?” “Nee hoor,” antwoordt Bas, “ik heb gewoon na een tijdje helemaal geen zin meer in al dat lezen en die teksten. Het is toch ook niet leuk om te doen?!” Voor het eerst kijkt hij me kort aan. “Dus eigenlijk bedoelde je dat je er niet zo’n zin in hebt en gaat het niet om concentratie, maar om frustratie. Je voelt je gefrustreerd als je zoveel teksten moet lezen. Begrijp ik dat goed?” Bas kijkt me aan alsof ik net iets heel doms heb gezegd. “Nee,” antwoordt hij nadrukkelijk. “Het gaat om CON-CEN-TRA-TIE.”

 

“Hoe lang kun je je wel concentreren? Vijf minuten? Tien minuten? Een half uur?” “Zeker een uur,” zegt Bas. Hoewel het tegenstrijdig is met wat hij eerder heeft gezegd, vertel ik hem opgewekt dat dat goed nieuws is. Ik pak een Cito-boekje van vorig jaar erbij en laat zien dat de taak voor begrijpend lezen maar 40 minuten duurt. “Dus dat moet makkelijk lukken,” zeg ik bemoedigend. “Nee hoor,” zegt Bas meteen. “Ik doe er altijd langer over, want ik neem er meer tijd voor.” Aangezien er geen sprake is van dyslexie of een andere verklaring waardoor Bas recht heeft op meer tijd tijdens de Cito, leg ik uit dat dat tijdens de Eindcito waarschijnlijk niet kan. “Er is vastgesteld dat deze taak niet langer dan 40 minuten mag duren. Misschien geeft jouw meester je een paar minuten extra, maar je kunt er niet heel veel langer aan werken. Maar dat is misschien juist fijn, want dan hoef je je ook niet zolang te concentreren.” Het blijft stil. Net als ik denk dat er geen reactie meer gaat komen, kijkt Bas op. Hij praat langzaam als hij zegt: “Dus jij vertelt mij nu dat ik niet de tijd mag nemen voor een toets die voor een groot deel mijn leven bepaalt?” Even weet ik niet wat ik moet zeggen. Bas heeft een punt. Het is vreemd dat er een tijdslimiet staat op een toets waar inderdaad veel waarde aan gehecht wordt. Weliswaar minder waarde dan een aantal jaar geleden, maar toch… “Ik heb je verteld wat de officiële regels zijn en nu lijkt het me goed als we gaan beginnen met de tekst die ik had klaargelegd,” reageer ik zo geduldig mogelijk.

 

Hoewel ik me ervan bewust ben dat Bas er op dit moment niet voor open staat om iets te leren, vraag ik hem toch om een tekst te lezen. Het is een informatieve tekst over dieren. Ik heb hem ’s middags tijdens de voorbereiding al gelezen en omdat Bas liever voor zichzelf leest, doe ik alsof ik ook lees. Ik probeer tijd te winnen om na te denken. Ik voorzie dat de weerstand van Bas alleen maar groter wordt als het me niet lukt om deze les een positieve draai aan zijn negatieve houding te geven. Nadat Bas de tekst gelezen heeft, beantwoordt hij samen met mij de vragen. Van de zes vragen heeft hij er vier goed. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de twee fout beantwoorde vragen onduidelijk vond. Voor de antwoorden die Bas had ingevuld was namelijk ook wat te zeggen. Ik geef Bas complimenten, die hij beleefd in ontvangst neemt door kort ‘dank je’ te zeggen.

 

Als we klaar zijn, kies ik ervoor om niet meteen nog een tekst te doen. Ik vraag Bas om zijn ogen dicht te doen en te denken aan zijn lievelingseten. “Knik maar als je het voor je ziet.” Bas knikt al snel en ik vraag hem wat hij ziet. “Ik zie een pizza met salami. Het is een grote pizza. Hij maakt met zijn armen een grote, ronde vorm.” Ik stel hem verschillende vragen, zoals: “Waar ligt de salami precies? Zit er nog meer op? En heb je er al een hapje van genomen?” Bas kan heel gedetailleerd antwoord geven op mijn vragen. Als ik vraag hoe de pizza smaakt, breekt er voor het eerst een lachje door op het gezicht van Bas, die overigens nog steeds zijn ogen dicht heeft. “Lekker!” zegt hij enthousiast. Dan mag Bas zijn ogen opendoen.

 

Ik leg Bas uit dat ik ontdekt heb dat hij een talent heeft. “Jij kunt heel goed visualiseren! Dat betekent dat je je dingen goed kunt voorstellen zonder dat ze er echt zijn. Je brein maakt geen onderscheid tussen fantasie en realiteit. Jij moet je hersenen gaan vertellen wat je wil, zodat het echt wordt. Eerst is iets fantasie en daarna wordt het echt.” Voor het eerst in deze les voel ik dat Bas oprecht geïnteresseerd is. “Maar hoe helpt het dan bij begrijpend lezen?”

 

Opnieuw vraag ik Bas of hij zijn ogen dicht wil doen. “Haal maar rustig adem en probeer je zo goed mogelijk te verplaatsen in dat wat ik je ga vertellen. Stel je nu voor dat je in de klas zit. Het is de dag van de Cito en je voelt je goed. De Citoboekjes liggen voor je op tafel en de meester heeft al uitgelegd wat je moet doen. Je weet niet hoe het komt, maar je kunt je perfect concentreren. Vandaag lukt alles. Je vindt de teksten interessant en je begrijpt de vragen. Je leest rustig en hebt genoeg tijd. Het gaat perfect. Om je heen zijn er wel wat geluiden af en toe, maar dat stoort je helemaal niet. Je bent gericht op je eigen werk. Vlak voor de tijd om is, heb jij alles af en je levert met een supergoed gevoel de toets in.”

Als Bas zijn ogen opendoet, zegt hij dat dit best leuk was. Hij zegt: “Dit kan ik misschien ook doen als ik in bed lig, bijvoorbeeld de week voor de Cito. Dan bestuur ik dus eigenlijk mijn hersenen.” Van zijn eerdere weerstand is geen sprake meer.

 

De tekst die ik hem daarna laat maken, maakt hij foutloos en als de bel gaat, kan ik een opgewekte jongen meegeven aan zijn moeder. Gelukkig maar!

Reactie schrijven

Commentaren: 0