Over mijn droombaan en een dobbelsteen

 

Het is weer dinsdag en ik heb een volle dag vandaag. Er staan zeven afspraken in mijn agenda en ik heb er zin in! Het begint met een lief meisje uit groep 5, dat maar moeilijk vooruit te branden is. Ze is opgewekt en neemt voor alles de tijd. Ik heb een keer voorzichtig gezegd dat we weinig tijd hadden en dat we daarom een beetje sneller moesten proberen te werken. Haar reactie was duidelijk en belerend: ‘Haastige spoed is zelden goed, juf Anne.’ Daar had ik niet van terug, dus tegenwoordig probeer ik mindful te zijn. Adem in – adem uit – en laten we nog een som proberen.

Daarna komt er een jongen van 11 jaar die mij het liefst elke les vanalles vertelt over allerlei problemen in de wereld. Ik hoor bijvoorbeeld over de ontwikkelingen bij duurzame, technische bedrijven, het grote zwarte gat in de ruimte dat ik absoluut moet proberen te vermijden en over dat het volledig mis dreigt te gaan in Den Haag. Ik hoor dingen als: ‘De politiek is ook niet meer wat het geweest is. Dat wij dit mee moeten maken. Vreselijk is het.’

 

In mijn pauze staat er een overleg gepland met een IB-er van een school. Vervolgens werk ik met een jongen die faalangst heeft, een student met motivatieproblemen en een schattig meisje dat het liefst wil dat ik alles zingend aan haar vraag.

 

Ik besluit de dag met een jongen uit groep 6. Bram houdt van sport, is een kei in rekenen, geniet van grapjes, maar hij heeft moeite met spelling. Als hij de praktijkruimte binnenkomt, vertelt hij trots dat hij maar 1 fout heeft gemaakt in het dictee op school. Ik reageer enthousiast en vraag nieuwsgierig of hij de fout nog weet. ‘Dat ga ik jou natuurlijk niet vertellen,’ zegt hij stralend. Ik zie een dobbelsteen liggen en zeg in een opwelling dat we erom zullen dobbelen. ‘Als ik hoger gooi, dan vertel je me de fout.’ Bram gaat akkoord en het wordt nog spannend. We gooien allebei twee, daarna allebei vier, maar tenslotte gooi ik zes en Bram vijf. Sportief vertelt Bram dat hij ‘kaugom’ had geschreven in plaats van ‘kauwgom’. Ik zeg dat hij dat nu waarschijnlijk niet meer vergeet en leg hem uit wat we gaan doen.

Ik heb een digitale eierwekker klaargezet en de opdracht is dat Bram tien minuten krijgt om een verhaaltje te schrijven over de vakantie. Bram luistert aandachtig. Als ik vraag of hij het begrepen heeft, knikt hij, maar voegt eraan toe: ‘Over die minuten moeten we nog even dobbelen. Ik gooi twee keer. In het beste geval hoef ik maar twee minuten te schrijven en in het slechtste geval twaalf.’ Ik schiet in de lach en stem toe. Als Bram tot zijn grote vreugde maar vier minuten hoeft te schrijven, heb ik even de tijd om over mijn werk na te denken. Op dagen als deze realiseer ik me dat ik echt een droombaan heb!

 

Reactie schrijven

Commentaren: 0